De man in het park

Na de boodschappen in de kar te verzamelen en bijkomende winkelscène, (waarover later meer), sta ik aan de kassa.

Zoals gewoonte als ik even moet wachten, kijk ik wat rond, mensen afloeren enzo. De observator in ik. Zelfs als ik in de auto rij loer ik mensen af. Altijd even raar als je blik dan kruist met een andere mensenafloerder.

Opeens zie ik hem rondlopen op de parking. Een sjofel geklede man. Onverzorgd. Bleke jeans met bleek jeansjasje. Ik laad al mijn eten in de kar. Eens buiten loer ik de man af. Hij schuimt de wagens af en krijgt keer voor keer het deksel op de neus. De ene mevrouw kan niet vlug genoeg in haar auto kruipen en slaat het portier hard dicht recht voor de man zijn neus. De anderen op de parking doen alsof ze hem niet zien maar laden hun boodschappen zo vlug als kan in.

Dan komt hij naar onze kar. Hij groet Amber. Ik lach naar hem als hij naar me kijkt. Hij zegt: ‘Geld alstublieft, ik in het park slapen’. De man ruikt naar sigaretten. Ik kijk hem aan terwijl ik rustig de koffer vul. Ik zie hem kijken in de kar. Hij kijkt me bedelend aan. Ik zeg hem: ‘Ik geef geen geld, maar ik wil wel iets om te eten kopen voor je.’ De man wrijft duim en wijsvinger tegen elkaar en vraagt nogmaals geld, waarop ik mijn zin nog eens herhaal. De drank zit al in de koffer, nu nog de rest. Hij twijfelt en zegt niets meer, terwijl zijn ogen rusten op de winkelwaren. Ik zeg: ‘kijk, je weet nu dat ik je geen geld zal geven, maar als je even wacht, haal ik wel iets voor je.’
Hij ziet dat de kar leeg is en dat ik zal vertrekken. Oké, zegt hij.

Ik ga terug met een lege kar naar binnen. Tja, wat moet ik nu kopen? Ik haal een brood, een pak chocoladebroodjes, een pak kaas en hesp, peperkoek en een pot confituur. Ik steek het in een zak. Eens buiten wacht de man me op bij de auto, ik geef hem de zak en zeg alstublieft meneer.

Dank u wel. Hij neemt de zak aan en schuifelt weg. Als ik in de auto zit, is hij nergens meer te bespeuren.

Achteraf gezien zit ik met een dubbel gevoel. Hoe moeilijk moet het geweest zijn voor die man om te aanvaarden dat er iemand eten voor je gaat halen. Niet eens kunnen kiezen wat je eet. Maar geld geven, dat kan ik niet. Want hij kan er evengoed een pint of een pak sigaretten mee kopen. Maar wat me het meeste bezighield, de dagen nadien, is dat ik die man niet kon helpen. Hij heeft voor twee dagen ‘eten’, de echte basis dan, maar slaapt dan terug gewoon in het park, en bedelt dan maar verder. Je kan je natuurlijk afvragen of het waar is dat die man in het park slaapt, maar daar gaat het niet over.
Thuis bleef het nazinderen en ik ging op zoek naar een andere manier. Ik vond het adres van het CAW. Ik ben er van overtuigd dat er daar mensen zijn die hem misschien wel kunnen helpen en doorverwijzen. Als hij dan zelf geholpen wíl worden, is dat dan zijn keuze. Als ik hem nog eens zie, tenminste.

Of ben ik nu echt zo naïef…

Hotel Vlaanderen vol

‘Hotel Vlaanderen vol’.
‘Tuurlijk moeten we die mensen helpen, maar niet hier’.

Wel, mevrouw van het Vlaams Belang. De dag dat het in België oorlog wordt, je kinderen en familie afgeslacht worden door barbaarse terroristen, hoop ik dat het land waar jij naartoe zal vluchten, je wel zal helpen. Want, dat is wat al deze mensen doen. Laat ik ze eens mensen noemen in plaats van vluchteling. Ze vluchten. Ze zijn zo bang dat ze met hun (jonge) kinderen op een bootje kruipen en de zee op gaan. Hun leven riskeren om het te redden.

Voor mij maakt het niet uit of mijn buur nu Italiaan, Spanjaard, Turk of Serviër is. Ik hoop dat alle landen samen een oplossing vinden en deze mensen een tweede kans kunnen geven. Ik hoop dat de uiteengerukte families elkaar terug kunnen vinden. Dat ze bij ons of eender welk Europees land een liefdevolle thuis kunnen opbouwen met een job, vrienden en een gezin, net zoals de meesten onder ons.

Ik denk aan de komende herfst en winter, dat het straks donkerder en kouder wordt buiten. Ik stel mezelf in de plaats. Ik en D., in een park met Amber tussen ons. Haar zoveel mogelijk tussen ons wurmen om ze zo warm mogelijk te houden. Of in een opvangcentrum, in een zaal vol mensen. Haar proberen gerust te stellen, haar proberen in slaap te wiegen, terwijl ik weet dat ze gewoon graag in een donkere kamer slaapt, met haar beertjes en haar dekentje. Dat ik als moeder haar het beste wil geven, maar haar daarom eerst de hel moet laten ervaren. Zo denk ik dan, om erna te proberen deze gedachten en beelden uit mijn hoofd te krijgen. Mezelf gelukkig prijzen dat het hier bij ons en in ons huis goed gaat.

Het laatste waar ik aan denk is hotel Vlaanderen, vol.

Hey, hoe gaat het?

‘Goed’, zeg ik, en met jou? Waarop ik luister naar haar verhaal. We hadden elkaar al lang niet meer gezien. Het leven komt af en toe tussen. Ik vooral mijn gezin en werk en zij haar operatie waardoor ze nu vooral veel thuis zit. Van het ene onderwerp springen we op het andere. We lachen tussendoor, we roddelen wel eens, we amuseren ons.

En, alles goed met jou? Vraagt ze nog eens.

Beja, zeg ik, goed hé. Ik kan niet anders zeggen dan goed, bedenk ik me. Eigenlijk gaat het supergoed, fantastisch goed. Ik heb een superkind, een superlief, een superjob, een superhuis, een superlijf 😉 uhum da’s een beetje er over :p maar ik ben toch wel trots op die negen kilootjes minder. Het gaat zo goed dat ik me soms wel eens afvraag hoe lang het nog zo goed zal gaan. Na die fractie van een seconde bedenk ik me dan ook dat het leven te kort is om je zorgen te maken. Zelfs als het echt niet goed gaat met je, of met iemand die je dierbaar is, is het leven te kort om er je zorgen in (te blijven) maken. Want het leven gaat verder, verder dan wat er gebeurd (is) en wat er in de toekomst nog kan gebeuren. Toch?

Goed.

Mijn vriendinnen kennen mij en als ze vragen hoe het gaat, vragen ze dat zoals je dat normaal vraagt aan een persoon. Als standaard openingszin soms, waaruit vaak een gesprek vloeit. Maar soms gebeurt het ook dat bepaalde mensen de vraag formuleren als in de zin van ‘mo jongske, hoe gáát het nu met je?’. Waarop ze zelfs soms hun hoofd lichtjes zijwaarts buigen en je op een bepaalde manier aankijken als in ‘beter nu?’. Het is al gebeurd dat iemand me zelf een knipoogje gaf, als een soort sussend gebaar. Raar, vind ik dat. Dan heb ik zin om mijn handen uit te steken, dat hoofd met een klein kort maar toch iets hevig snakske recht te zetten, te vragen of er vuiltje in die oog zit misschien? En te zeggen: mens, ik was depressief, ik ben het niet meer, je mag gerust normaal tegen me doen.

Meestal reageer ik tegen die mensen enthousiast ‘mo goed!’ en speel ik de vraag door ‘en met jou?’. Ironisch genoeg zijn die mensen meestal het soort die het moment dat het niét goed met me ging, de vraag niét stelden, en de olifant in de kamer negeerden. Dan denk ik soms: ‘had je het me gevraagd hoe het écht met me ging toen het slecht met me ging, ging je het antwoord dan wel aankunnen?’

Je hebt ook van die mensen die nooit vragen hoe het met je gaat. Ondertussen weet je dat ook al op voorhand. Het zijn van die mensen die altijd over zichzelf bezig zijn. Mensen die in gesprek gaan met anderen, om hún verhaal te doen maar die nooit vragen hoe het met je gaat. Omdat ze gewoon te vaak met zichzelf bezig zijn. Je staat daar in het begin niet bij stil. Maar na een eindje begint het zo wel een beetje op te vallen dat die mensen echt wel zelden tot eigenlijk nooit vragen ‘oe ist’? Vaak is het dan meestal een one-way gesprek waarop mijn hoofd ja en nee knikt en mijn mond hetzelfde antwoordt. Het is een vooral luisterende houding dat ik aanneem en als ik de kans heb dan blijf ik meestal ook niet lang.

Sommigen ontwijken je. En als ze niet anders kunnen omdat ze je toch tegen het lijf botsen, stellen ze de vraag. Dan kan ik het soms niet laten om de vraag dan ook heel uitgebreid te antwoorden 🙂

Laat ons dus gewoon effen normaal tegen elkaar doen. Zoals normale mensen dat doen?

Rest mij de vraag, hoe gaat het met jou? 😉